Overslaan en naar de inhoud gaan
(c) Lise Vanlerberghe
(c) Lise Vanlerberghe

Recht van antwoord in het digitale tijdperk: tijd voor modernisering en harmonisatie

Wie in een krantenartikel (impliciet) wordt genoemd of wiens reputatie in een televisieprogramma wordt besmeurd, heeft in België het recht om te reageren. Dat recht van antwoord is een van de oudste rechtsmiddelen in het mediarecht, maar schuilt vandaag in een lappendeken van regelgeving. Dit artikel schetst het huidige kader en pleit voor modernisering en harmonisatie.

1. Het recht van antwoord in België: versnipperd, verouderd en met een blinde vlek voor online media

Op Europees niveau bevat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) geen uitdrukkelijke bepaling over het recht van antwoord. De Raad van Europa vulde de lacune enigszins op doordat het Comité van Ministers hierover op 2 juli 1974 een resolutie aannam. Dertig jaar later, in 2004, werd dit verder aangevuld met een aanbeveling die onverbloemd oproept tot een ruime toepassing van het recht van antwoord (lees: in een online context).

Op EU-niveau voorziet artikel 28 van de Richtlijn Audiovisuele Mediadiensten in een recht van antwoord voor omroepdiensten. De preambule verduidelijkt dat het rechtsmiddel ook online relevant kan zijn.

In België is het recht van antwoord via twee sporen geregeld. Voor de geschreven pers geldt de wet van 23 juni 1961 betreffende het recht tot antwoord. Vlaamse audiovisuele media vallen - sinds de staatshervorming van 1980 - onder het Mediadecreet van 27 maart 2009. Wie als burger iets wil rechtzetten in een periodiek geschrift of op radio en televisie, stuit zo op een systeem met parallelle procedures, afwijkende termijnen en verschillende bevoegdheidsniveaus. Voor online media bestaat op Belgisch niveau vooralsnog geen regeling.

2. Een systeem met barsten

Het Belgisch kader over het recht van antwoord lijdt aan twee fundamentele kwalen, zo stelde de Senaatscommissie voor de Transversale Aangelegenheden - Gemeenschapsbevoegdheden al vast in haar informatieverslag van 15 maart 2019: de ongelijke regeling voor geschreven en audiovisuele pers enerzijds, en het ontbreken van een wettelijk kader voor een recht van antwoord op het internet anderzijds. Die combinatie creëert juridische onduidelijkheid die zowel de burger als redacties parten speelt.

Geen wettelijk kader voor online

Het meest frappante probleem is simpelweg de afwezigheid van een regeling online. Er bestaat geen enkele wettelijke bepaling die het recht van antwoord regelt voor nieuwswebsites, nieuwsblogs of nieuwspagina's op sociale netwerken. Wie zich onheus behandeld voelt in een online artikel van een krant of nieuwssite, heeft juridisch gezien geen been om op te staan, ook al zijn die artikelen soms honderdduizenden keren bekeken.

De uitgevers beseffen dat zelf ook. Karen Van Brabant, bedrijfsjurist bij DPG Media, formuleert het zo: 'Gelet op de evolutie naar online, die in de wet van 1961 natuurlijk niet geregeld was, is het onlogisch dat er net voor die media geen wettelijke regeling bestaat.' Bij DPG Media schat ze het aantal formele verzoeken tot recht van antwoord op papier en online op maximum acht per titel per jaar. Meestal gaat het om verzoeken in zowel de papieren als de online versie, omdat de meeste artikelen in beide versies worden gepubliceerd. Recht van antwoord op radio en tv noemt ze 'zeer uitzonderlijk'.

Bij Mediahuis klinkt een gelijkaardig geluid. Redactiemanager Toon van den Meijdenberg verwijst rechtstreeks naar het informatieverslag van de Senaat: 'Tot op vandaag is er inderdaad geen wettelijk kader voor een recht van antwoord online. Zolang de wet niet wordt aangepast, hoeven wij dus in principe geen gevolg te geven aan een vraag in die zin.'

Dat betekent echter niet dat een foutief artikel met schade voor de betrokkene zonder gevolgen blijft. 'Wanneer iemand een recht van antwoord vraagt in de krant, onderzoeken we eerst of het artikel fouten bevat en er een correctie nodig is. Pas daarna toetsen we het verzoek aan de wettelijke voorwaarden inzake het recht van antwoord', aldus Van den Meijdenberg. 'De deontologische richtlijnen van de Raad voor de Journalistiek vormen daarbij steeds het kompas. Wie een punt heeft, krijgt een voorstel: een correctie, een nieuw artikel, een mededeling op de website, een aanpassing in het oorspronkelijke stuk (met de vermelding dat het werd aangepast), of in uitzonderlijke gevallen zelfs een interview.'

Mediahuis ontvangt gemiddeld 25 tot 30 formele verzoeken per jaar. Slechts een minderheid daarvan - zo'n 10 procent - heeft betrekking op online content.

Problemen met de bestaande regelingen

Maar ook voor de geschreven en audiovisuele pers kraakt het systeem. Het informatieverslag somt een reeks concrete pijnpunten op. Zo bestaan er twee verschillende wettelijke stelsels naast elkaar, met afwijkende procedures en termijnen. Voor de geschreven pers gelden drie maanden, voor audiovisuele media één maand. Ook die termijnen zijn voer voor discussie: hoe langer iemand wacht met een verzoek, hoe minder relevant het antwoord nog is, menen sommigen.

De procedure is bovendien zo technisch dat burgers er doorgaans een advocaat voor nodig hebben. Eens opgestart, dreigen discussies over vormvereisten de inhoud van de zaak te overschaduwen. Dat staat in schril contrast met de oorspronkelijke bedoeling: een recht van antwoord dat laagdrempelig en toegankelijk zou zijn voor iedereen, en zo de meerstemmigheid in de berichtgeving bevordert.

Mediahuis wijst op een bijkomend pijnpunt: de instapdrempel voor een recht van antwoord in de krant is extreem laag. 'Genoemd worden, zelfs maar impliciet vermeld worden, volstaat. Belangenschade is niet nodig. Een artikel hoeft zelfs niet fout te zijn.' De verlenging van de verjaringstermijn van drie maanden naar één jaar noemt Van den Meijdenberg ronduit 'onbegrijpelijk'. De weigeringsgronden zijn te vaag geformuleerd: redacties die een recht van antwoord weigeren dat hun overbodig lijkt, riskeren zelfs een strafrechtelijke veroordeling als de rechtbank het daar niet mee eens is.

De deontologische weg

Uit een rondvraag bij Vlaamse nieuwsmedia blijkt dat er al bij al relatief weinig verzoeken tot recht van antwoord worden ingediend. Dat is ook bij de VRT zo. Hilde Minjauw, bedrijfsjurist bij de VRT, legt uit: 'In de afgelopen vijf jaar ontving de VRT in totaal slechts vijf verzoeken voor audiovisuele uitzendingen en zes voor online content. Geen enkel verzoek werd gegrond verklaard, omdat de wettelijke voorwaarden niet vervuld waren. Dat neemt niet weg dat de VRT elke klacht ook altijd deontologisch toetst.' Ook Sophie Van Iseghem, secretaris-generaal bij Roularta, bevestigt: 'Ik denk dat ik het aantal verzoeken van de afgelopen vijf jaar op mijn twee handen kan tellen.' Andere cijfers: zes verzoeken de voorbije twee jaar bij Apache en drie bij DeWereldMorgen.be; één verzoek het voorbije anderhalf jaar bij MO*.

Sputtert de juridische weg, dan biedt de Raad voor de Journalistiek via zijn deontologische code alternatieven aan via de bepalingen over wederhoor, wederwoord en online rechtzettingen. Barbara Callier, secretaris-generaal en ombudsvrouw bij de Raad voor de Journalistiek, bezorgde de cijfers voor de periode 2021-2025: er waren 92 klachten over wederhoor (artikel 20 van de Code van de Raad voor de Journalistiek), waarvan 32 gegrond; 18 over wederwoord (artikel 7), waarvan 2 gegrond; en 16 over online rechtzettingen (richtlijn bij artikel 6), waarvan 2 gegrond. Tel daarbij de minnelijke regelingen, waarbij klagers tweemaal wederwoord kregen, eenmaal excuses wegens het ontbreken van wederhoor en tweemaal een rechtzetting.

Hoewel deontologie al soelaas biedt, blijft een beter wettelijk kader voor het recht van antwoord als laagdrempelig instrument onontbeerlijk.

3. Naar een modern kader

Het is een van de meest slepende dossiers in het Belgische mediarecht. Zittingsperiode na zittingsperiode werden wetsontwerpen en -voorstellen over het recht van antwoord op het internet ingediend, maar ruim zeven jaar na het Senaatsverslag haalde nog geen enkel initiatief de finish.

Het informatieverslag van 15 maart 2019 is daarmee wel een helder kompas gebleven. Het formuleert 27 aanbevelingen met één centraal doel: transparantie en vereenvoudiging. De kern: elke burger of rechtspersoon moet zijn recht van antwoord onder gelijkaardige voorwaarden kunnen uitoefenen, ongeacht of de berichtgeving in een gedrukte krant, op televisie of online verscheen. Dat vraagt om modernisering en harmonisatie van een kader dat zowel een federale wet als gemeenschapsdecreten omvat.

Charlotte Michils

De VVJ pleit voor een nieuwe overlegronde met alle stakeholders - uitgevers, journalistenverenigingen, Raad voor de Journalistiek en politici - met als doel een finaal en breed gedragen kader.

Onze partners